
Door Britt Bakker
Nagelezen door Jeroen Van Vaerenbergh
(Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. Het internet is reeds wild begroeid met roekeloos gekopieerde informatie. Vermeld daarom uw bron altijd netjes. Merci.)
Lievelingsdrank van Karel de Grote,
vreugdedrank van de Kelten,
vruchtbaarheidsdrank van de Saksen
en gezondheidsdrank in de middeleeuwse kloosters.
Cider was geliefd door onze voorouders.
De appel, een van oorsprong Oosterse vrucht, is lang geleden neergestreken in ons land.
Na de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, groeide de wilde appel al in Europese loofbossen. Waarschijnlijk werd ze door de Bandkeramische cultuur (van 5500 v. Chr. tot circa 4400 v. Chr.) in West-Europa, die ook tot in onze regio reikte, al gebruikt voor verwerking. Van de Kelten vermoedt men dat ze cider maakten van wilde houtappelen. In dezelfde trog die werd gebruikt voor mede (honingwijn) en brooddeeg. Door materialen niet of nauwelijks te reinigen, ging het gisten gewoon verder. De vraag is of er überhaupt een onderscheid werd gemaakt tussen fermentaties van honing, melk, granen (bier), appel, of dat het allemaal vrolijk samen vergist werd.
De appelboom was voor de Kelten een heilige boom. In de Joeltijd (midwinter) danste men er rond, werd er cider op de wortels gesprenkeld en natuurlijk als vreugdedrank gedronken. Europa’s klassieke ciderregio’s liggen op plekken met de diepste Keltische voetafdrukken. Dat lijkt geen toeval. Denk aan Bretagne, Normandië, Zuid-West Engeland, Asturië, Baskenland…
Nog steeds zijn er daar tradities verbonden aan cider. Zoals wassailing in Engeland. Een jaarlijkse zegening van de boomgaarden. Een groot feest met muziek, dansen, vuur, brood wat in de bomen wordt gehangen om de goden ‘gunstig’ te stemmen, verwarmde cider die wordt doorgegeven en (nog steeds)
op de boomwortels wordt gesprenkeld. Gelijkaardige tradities vind je in de andere bovengenoemde
regio’s. Overal zijn er nog ciderrituelen om de vruchtbaarheid te verwelkomen en de band tussen mens, land en het ‘goddelijke’ te vieren.
Wanneer er precies voor het eerst cider werd gemaakt bij ons, in de Vlaamse Ardennen, is onduidelijk. De Kelten waren hier tenslotte ook, maar hard bewijs van cider is er nooit gevonden.
Volgens Jeroen Van Vaerenbergh kunnen we eigenlijk enkel afgaan op de aanwezigheid van de basisingrediënten in het terroir destijds en de kennis rond fermenteren.
De Romeinen – die hier rond 50v Chr. aanwezig waren, stonden bekend om de verspreiding van fruitteelt. De Salische Franken zetten dit voort met boomgaarden en fruitgaarden. Dat er rond die tijd appels werden gecultiveerd, is dus vrij zeker. Dat mensen daar in deze regio cider van maakten, is aannemelijk maar niet te verifiëren. In Les plantes alimentaires chez tous les Peuples et à travers les âges (1937) schrijft Désiré Bois dat de Salische wetten al verwijzen naar de cultuur van ciderappels in de Lage Landen. Echter, naar het gebied wat men nu de ‘Vlaamse Ardennen’ noemt, zijn geen verwijzingen. De eerste geschreven vermelding van ciderproductie in de Lage Landen (Maasgouw) dateert uit de 9e eeuw. Het was een verzoek van Karel de Grote om de kwaliteit van de ciderproductie op zijn domeinen te verbeteren. De Romeinen vonden cider een ‘mindere’ drank ten opzicht van wijn, maar daar wilde de keizer verandering in brengen. Het was tenslotte zijn lievelingsdrank. Hij gebruikte het tegen jicht en nierstenen.
Tijdens de hoge middeleeuwen evolueerde cider van gezondheidsdrank in de kloosters naar populaire verbruiksdrank. Vanaf de 12e eeuw waren cider en bier de meest gedronken alcoholische dranken. Cider had als voordeel dat de appeloogst in ons zeeklimaat consistenter was dan de druivenoogst.
Daarnaast vroeg ciderproductie niet om ‘broodnodig’ graan, in tegenstelling tot bier. Bovendien ondervond men dat goed gemaakte cider – bestaande uit een mix tussen gecultiveerde en wilde appelen – van een minstens even goede kwaliteit was dan druivenwijn. De grote kloosters legden grote boomgaarden aan, denk aan de Sint-Baafsabdij in Gent, en die trend zette zich vanaf 1300 voort naar de kleinere kloosters en abdijen. Die maakten op den duur cider van hun eigen appels
en op veel plekken stond er een appelpers van de gemeenschap. Op een bepaald moment was cider zo populair dat er vermeldingen zijn van ‘een bezorgde geestelijke die zich keert tegen de gewoonte om kinderen met cider of appelwijn te dopen’. Het zwaartepunt van deze ciderproductie lag vermoedelijk in het Hageland, Borgloon, Tongeren, Herk-de-Stad en delen van Wallonië. Goede appelwijnen* waren hier duurder dan druivenwijn. Niet toevallig waren dit de regio’s rond de grotere kloosters en abdijen.
(Denk aan het verwantschap tussen klassieke bieren en abdijen.)
Overigens was het Waasland blijkbaar ook een florerende fruitstreek in de middeleeuwen. Van Zottegem en Oudenaarde werd er eveneens fruit aangevoerd naar het laatmiddeleeuwse Gent. Haspengouw werd pas een bloeiende fruitstreek vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.
Documentatie van abdij-cider in de Vlaamse Ardennen is nauwelijks te vinden. Guido Tack (12.000 jaar bos ‘t Ename) liet weten dat de abdij van Ename uitgebreide boomgaarden bezat. Waaronder fruitboomgaarden. Echter, van cider zijn er geen sporen in de archieven. Ook van de priorijen in Sint-Martens-Lierde en Hunnegem is er in eerste instantie geen teken van cider ondanks de boomgaarden. Wellicht moeten we alle aparte handelsarchieven van het land van Aalst en de bovengenoemde abdijen induiken om cidertransacties te vinden. Cider droeg verschillende namen en spellingen – appelwijn, sider, cyder.. In de steden werd er in de 17e en 18e eeuw soms gesproken van ‘nieuwe wijn’ die rond Sint-Maarten (11 november) al van het ‘platteland’ kwam en gekelderd werd. Iets wat volgens sommigen onmiskenbaar cider moet zijn geweest. De druivenwijn was tenslotte nog niet klaar. Appels werden idealiter in oktober/november geplukt in de hoogstamboomgaarden en vroege rassen in september. Een vroege ‘nieuwe wijn’ zou een lichte, jonge cider van vroege rassen kunnen zijn. Al bewaarde men – in tegenstelling tot druiven – de ciderappels iets langer. Wat de smaak zelfs ten goede kwam. Rond deze tijd (17e en 18e eeuw) was cider een echte landbouwgebeurtenis en op de hofsteden in de wijnstreek (Brabant en Limburg) werd cider een dagelijkse drank.
In de 18e en 19e eeuw is er gedocumenteerde ciderhandel tussen Henegouwen (Doornik), Dendermonde en Gent. Ons gebied ligt daar tussen. Vermoedelijk maakte men hier cider op kleinere schaal en voor eigen gebruik. Zoals dat tot de jaren ’50 en ’60 in vele dorpen van de Vlaamse Ardennen gebruikelijk was. In Everbeek was dat zeker het geval. ‘Iedereen maakte hier vroeger cider’, horen we oude dorpelingen nog dikwijls zeggen. Echter, in de jaren ’60 werden er rooipremies uitgedeeld om hoogstambomen te verwijderen om een overstap naar de productieve laagstamteelt te bevorderen. Wellicht dat er daarna minder fruit beschikbaar was.
Rond 1900 begint de industrialisatie in de cidermakerijen. In het Land van Herve begon met grootschalige productie en ook abdijen zoals die van Affligem maakten rond de 10.000 liter per jaar.
Opmerkelijk is dat er geen ciderbedrijven ontstonden in de fruitstreken, waar
een groot deel van het fruit al werd gebruikt voor stroop en een deel werd geëxporteerd naar Duitsland en Zeeuws-Vlaanderen.
Tussen 1910 en 1920 waren er recordoogsten met enorm veel overschot. De eis voor kwaliteit van handfruit werd steeds hoger én de invoertarieven rezen. Als reactie hierop moderniseerde de cidersector om grotere hoeveelheden te kunnen verwerken. Er werden grotere machines ingevoerd, de productie van cider steeg aanzienlijk en men begon mousserende cider te promoten als Champagne vervanger. Desondanks bleef het een ‘gelegenheidsdrank’, in tegenstelling tot in de middeleeuwen. Als het eindelijk
populair wordt in de jaren 30, ontstaat er een gebrek aan grondstoffen die men gebruikte voor de ‘bubbel’. CO2 flessen en suiker worden schaars.
Na de 2e Wereldoorlog liep het succes van de appeldrank een nog grotere deuk op.
Door industrialisering waren grotere cider makers té afhankelijk geworden van toevoer van (slechte) grondstoffen. En de enorme verhoging van taksen en accijnzen deed dan weer de kleine ambachtelijke makers de das om. Cider bleef achter met een beschadigd imago en de populariteit daalde.
Sinds enkele jaren komt hier gelukkig weer verandering in.
*Het woord ‘cider’ heeft veel broertjes en zusjes. Tijdens de hoge en late middeleeuwen werd er veel verwezen naar ‘appelwijn’. Nog vroeger werden ‘appelwater’ of ‘ofra’ gebruikt. De kerkvader en heilige
Hiëronymus gebruikte ‘sicera’ voor gegiste dranken (‘sjekar’ betekent bedwelmende, sterke drank). Dat werd ‘sitre par pomaticum’, ‘sider’ of ‘citer’.
Bronnen (naast de reeds genoemde):
– Cornu, P. H. (1984). Cider. Academie voor Streekgebonden Gastronomie.
– Vandommelen, H. (1982). Poires et pommes: fruits de pressoir.
– Centrum voor Agrarische Geschiedenis. (1980). Appelen voor miljoenen.
– Cornille, A., Giraud, T., Bellard, C., Tellier, A., Le Cam, B., Smulders, M. J. M., Kleinschmit, J., Roldán-Ruiz, I., & Gladieux, P. (2013). Postglacial recolonization history of the European crabapple (
Malus sylvestris Mill.), a wild contributor to the domesticated apple.
Molecular Ecology, 22(8), 2249–2263. https://doi.org/10.1111/mec.1223
– Verdot, C. (1833). Historique de la table.
